Biografie Johannes Vermeer (1632 – 1675): de Meester van het licht
Jeugd en huwelijk in Delft
Johannes Vermeer wordt in oktober 1632 geboren aan de Voldersgracht in Delft, als tweede kind van Reynier Janszn. en Digna Baltens. Vader Reynier is herbergier van ‘de Vliegende Vos’, caffawever (een luxe, ingeweven zijden stof) en kunsthandelaar. Hij gebruikt rond 1640 voor het eerst de achternaam ‘Vermeer’. Johannes wordt op 31 oktober 1632 gedoopt in de Nieuwe Kerk — op dezelfde pagina in het doopregister staat de latere ontdekker van de microscoop, Antoni van Leeuwenhoek. Als Johannes circa acht jaar is, verhuist het gezin naar Huis Mechelen op de hoek van de Markt en de Oude Manhuissteeg.
In 1653 trouwt Vermeer met de katholieke Catharina Bolnes uit Schipluiden. Vermoedelijk bekeert hij zich voor dit huwelijk tot het katholicisme op verzoek van zijn welgestelde schoonmoeder, Maria Thins. Het echtpaar trekt in bij Maria Thins aan de Oude Langendijk (nabij de Molenpoort, de huidige Jozefstraat). Samen krijgen zij vijftien kinderen, van wie er elf hun kindertijd overleven.
Kunstenaar en bestuurder
Op 29 december 1653 treedt Vermeer toe tot het Delftse Sint-Lucasgilde. Wie zijn leermeester is geweest, blijft tot op de dag van vandaag onbekend. Vermeer schildert uiterst nauwkeurig en produceert slechts twee tot drie doeken per jaar.
Zijn belangrijkste beschermheer is de rijke Delftse brouwerszoon Pieter Claesz. van Ruijven, die samen met zijn vrouw Maria Knuijt tientallen werken van Vermeer verwerft. Vermeer geniet aanzien in zijn geboortestad: in 1662, 1663, 1670 en 1671 dient hij als 'hoofdman' van het Sint-Lucasgilde en hij is lid van de Delftse Schutterij.
Het rampjaar en de ondergang
Het Rampjaar 1672 breekt de carrière van Vermeer. Door de oorlog met Engeland en Frankrijk stort de kunstmarkt volledig in. Omdat de landerijen van zijn schoonmoeder nabij Gouda onder water worden gezet voor de Hollandse Waterlinie, drogen ook de pachtinkomsten op. Het gezin raakt in diepe financiële problemen.
De fysieke en mentale spanningen worden Vermeer fataal. In december 1675 overlijdt hij na een kort ziekbed van anderhalve dag. Hij wordt op 16 december 1675 begraven in de Oude Kerk en laat zijn vrouw en elf kinderen achter met een torenhoge schuld. Zijn jeugdgenoot Antoni van Leeuwenhoek wordt aangesteld als curator om de failliete boedel af te wikkelen.
De Nalatenschap: verspreiding, vergetelheid en herontdekking
De veilingen en het vertrek uit Delft
Om schulden af te lossen, moet Catharina Bolnes na Vermeers dood doeken afstaan. Zo gaan er schilderijen naar de Delftse bakker Hendrick van Buyten ter compensatie van een grote broodschuld. Het merendeel van zijn werk (21 schilderijen) blijft echter via de erfenis van mecenas Pieter van Ruijven behouden in de privécollectie van diens schoonzoon, Jacob Dissius.
Wanneer Dissius overlijdt, vindt op 16 mei 1696 in Amsterdam de beroemde Dissius-veiling plaats. Dit is het beslissende moment waarop het oeuvre van Vermeer definitief uiteenvalt en de schilderijen Delft verlaten naar particuliere verzamelaars in binnen- en buitenland.
Eeuwen van vergetelheid
In de 18e en vroege 19e eeuw raakt Vermeer bij het grote publiek in de vergetelheid. Omdat hij een klein oeuvre naliet (vandaag de dag zijn er circa 37 werken bekend) en voornamelijk lokaal verzameld werd, verdwijnt zijn naam naar de achtergrond. Veel van zijn schilderijen worden toegeschreven aan bekendere tijdgenoten, zoals Pieter de Hooch of Gabriel Metsu, en verhuizen naar koninklijke en private collecties door heel Europa.
De 19e-eeuwse herontdekking
De grote wending komt halverwege de 19e eeuw dankzij de Franse kunstcriticus Théophile Thoré-Bürger. Hij raakt gefascineerd door Het Straatje en Gezicht op Delft en start een zoektocht naar het oeuvre van de schilder, die hij de bijnaam "De Sfinx van Delft" geeft vanwege het mysterie rondom zijn leven. Thoré-Bürger publiceert in 1866 een eerste oeuvrecatalogus en brengt Vermeer weer onder de aandacht van de internationale kunstwereld.
Wereldwijde herwaardering
In de 20e en 21e eeuw groeit Vermeer uit tot een van de meest gevierde meesters uit de Gouden Eeuw. Zijn weergaloze gebruik van licht, zijn beheersing van perspectief en het gebruik van kostbaar pigment zoals ultramarijn (lapis lazuli) worden wereldwijd geroemd. Werken zoals het Meisje met de parel, De melkmeid en Gezicht op Delft zijn uitgegroeid tot iconen van de westerse kunstgeschiedenis en trekken in musea als het Mauritshuis (Den Haag), het Rijksmuseum (Amsterdam), The Frick Collection (New York) en het Kunsthistorisches Museum (Wenen), miljoenen bezoekers.
