Wanneer er een kindje werd geboren, vierde men groot feest. Er werden mensen uitgenodigd om te komen eten.
De baby’s verzorgde men heel anders dan nu. De baby werd stevig in warme kleertjes gewikkeld. Men was bang dat het kindje anders zou kouvatten.
Er stierven veel baby’s door de slechte hygiëne en het verkeerde voedsel. De luiers werden bijna nooit gewassen, maar alleen gedroogd bij het vuur. Zolang de baby’s erg klein waren, kregen ze melk en pap. Maar al gauw werden ze gevoed met de dagelijkse kost van het gezin. Zoals hutspot.
In de 17e en 18e eeuw werden de kinderen van rijke en voorname mensen naar een min gestuurd. Deze woonden meestal op het platteland. Dit deden ze niet omdat de lucht daar gezonder was dan in de stad, maar ook omdat het heel deftig was.
De kinderen droegen dik ondergoed met daar overheen zware kleding van lakense stof. De meisjes en jongens droegen tot hun zesde jaar een jurkje. Op hun rug zat de leiband, waaraan ze door hun moeder of grote zus werden vastgehouden. Op die manier leerden ze lopen.
Zodra de kinderen ouder waren kregen ze dezelfde kleding als de volwassenen. De meisjes droegen een wit mutsje, een jakje, een rok en een schortje. De jongens droegen een breedgerande hoed, een wambuis, een korte broek en kousen.
Als ze het betalen konden droegen de jongens een lange, golvende pruik. In de 17e eeuw volgde men de Franse mode. Maar de gewone mensen kochten alleen iets nieuws als ze het echt nodig hadden.
De gezinnen bestonden vaak uit meer dan 10 kinderen. Meer kinderen betekende meer geld als ze ouder waren, want elk kind kon gaan werken.
Wanneer de ouders niet meer konden werken, werden ze door hen verzorgd. Er werd gewerkt zolang het licht was. Er moest dus ’s zomers langer gewerkt worden. ’s Avonds moesten de kinderen vaak nog naar school, omdat het alleen voor de rijken was weggelegd om overdag te leren.
Min = voedster
Wambuis = een dikke bodywarmer met lange mouwen